Marcel Romijn reisde naar het Franse Mulhouse voor een bezoek aan de wereldvermaarde Schlumpf-collectie en vergaapte zich aan de topstukken van de collectie: De Bugatti Royale.

In 1912, slechts twee jaar nadat hij zijn werkplaats in Molsheim heeft geopend, begint Ettore Bugatti aan het verwezenlijken van zijn droom, de ultieme luxe op vier wielen. Bugatti wil niet zomaar een auto, hij wil een voiture de luxe waarmee hij zijn naam voorgoed kan vestigen. Wat hij voor ogen heeft, is niet eenvoudig te realiseren. Allereerst moet de motor de grootste worden die ooit in een luxe wagen geplaatst is. Daarbij moet de auto niet alleen snel zijn, maar ook een genot zijn om te besturen. Een auto zo krachtig, zo bijzonder en zo duur, dat slechts de allerrijksten op aarde er zich een zullen kunnen veroorloven. Een auto voor de koningshuizen van het oude Europa. Alles in lijn met de naam die hij bedacht heeft voor zijn creatie, de Royale!

In Molsheim vervaardigt men slechts het rollend chassis en het motorblok van de auto, niets vreemds in die tijd. Gerenommeerde koetsbouwers mogen de wagen in opdracht van de klant van een carrosserie voorzien. De motor is er eentje om bij te watertanden, een cilinderinhoud van bijna 13 liter, blok en kop gegoten uit een stuk. Zelfs nu, in 2017, geldt deze motor nog steeds als een van de grootste motorblokken ooit speciaal ontworpen voor een personenwagen. Ze kent hoogtechnologische snufjes als twee inlaatkleppen per cilinder bediend door een enkele bovenliggende nokkenas, maar ook twee bougies per cilinder. Het achtcilinder monster produceert bijna 300 paardenkrachten, ruim voldoende om een zware koets met passagiers in vliegende vaart voort te bewegen. Met een wielbasis van bijna viereneenhalve meter en een gewicht van rond de drieduizend kilo is de Royale een enorme verschijning, zelfs een moderne Rolls Royce is hiermee vergeleken een dwerg. Om het geluid in de cabine te verminderen, wordt de versnellingsbak ver onder de auto rechtstreeks op de achteras gebouwd. Men moet tenslotte ongestoord een goed gesprek kunnen voeren tijdens de reis. Vooraleer de chassis’ geleverd worden aan de carrosseriebouwers worden ze nog voorzien van een dashboard met walvisbenen schakelaars en een stuurwiel bekleed met walnotenhout. Op de typische Bugatti radiator prijkt trots een steigerende olifant, een kunstwerk van Ettore’s broer Rembrandt.

De Bugatti Royale heeft inderdaad de standaard gezet waar het gaat om luxe en comfort. Met zijn koninklijke voertuig heeft Bugatti zijn naam kunnen vereeuwigen. Een naam die iedereen kent, ook mensen die weinig affiniteit hebben met het automobiel. De verkoop van de Royale is helaas geen succesverhaal. Van de beoogde twintig exemplaren kan de fabriek er slechts een handvol slijten. Bij de introductie in 1926 is de Westerse wereld nog aan het opkrabbelen uit de puinhopen van de eerste wereldoorlog, kort daarop gevolgd door de grote depressie. De toch al beperkte doelgroep smelt als sneeuw voor de zon, ironisch genoeg wordt geen van de Royale’s ooit geleverd aan een koningshuis. Eén prototype en vijf productiemodellen worden er uiteindelijk gebouwd. Niet meer dan drie exemplaren worden aan de man gebracht. Nummer vijf en zes worden nooit verkocht en net als het prototype tijdens de oorlog voor de nazi’s verstopt. Die tweede wereldoorlog zorgt voor het stopzetten van de productie, wat de fabriek nooit te boven is gekomen. De poorten worden voorgoed gesloten, maar tot op de dag van vandaag leven de naam en faam van Bugatti voort.

Bugatti’s worden door veel mensen als een kunstwerk bestempeld en zoals het een kunstwerk betaamt, staan ook alle zes ooit geproduceerde Royales in het museum. Auto nummer een staat bij de huidige eigenaar van Bugatti, de Volkswagen group, auto nummer twee ging via zijn Duitse eigenaar al voor de oorlog naar Amerika en belandde uiteindelijk in het Henry Ford Museum. Auto nummer vier is in privébezit, maar wordt van tijd tot tijd wel geexposeerd, terwijl auto nummer vijf beland is in een collectie in Californië. Dichter bij huis staat het prototype, dat in 1963 door de familie Bugatti verkocht werd aan de Schlumpf-verzameling en te bewonderen is in het Musee National de l’Automobile in Mulhouse in Frankrijk. Naast 100 andere Bugatti’s vind je daar ook auto nummer drie en de reproductie van de wonderschone groene nummer twee in zijn originele roadster jasje. We kunnen ons dan misschien niet verplaatsen in zo’n koninklijk automobiel, dankzij deze musea kunnen we ons ongegeneerd laten vervoeren door de magnifieke creaties van Ettore Bugatti.
Marcel Romijn