Somewhere over the Rainbow
Somewhere over the RainbowJapanse auto’s werden en worden vaak als eenheidsworst gezien. Beetje bij beetje ontfermen de liefhebbers zich over de laatste overgebleven stukken. Martin Philippo ging voor ons op zoek.

Sommige auto’s worden als icoon geboren. Hun oorsprong een gerenommeerd merk of ze hebben het DNA van een volbloed sportwagen. Andere automobielen moeten werken voor zo’n status. Sportieve prestaties neerzetten, figureren in een succesvolle film of simpelweg het dagelijkse transport van iedereen worden. Bovenal moeten ze zien te overleven! Producten van de Japanse auto-industrie hebben daarin altijd een extra handicap gehad. Naast het bedienen van de eigen markt richtten de autofabrikanten uit het land van de rijzende zon zich voornamelijk op export naar Europa en Amerika, met producten die zwaar leunden op Europees design en Amerikaanse styling. Goed uitgerust, goedkoop en betrouwbaar gingen ze de zware concurrentie met de gevestigde namen aan.

Somewhere over the Rainbow

Somewhere over the RainbowDe Nissan Bluebird is er zo eentje. Al in 1957 introduceert Nissan, toen nog onder de naam Datsun, de Bluebird. Van meet af aan gelden de Bluebirds als betrouwbare middenklassers. Een hele reeks modellen volgt om uiteindelijk in 1985 aan te komen bij de T12, onderwerp van dit verhaal. Onze held is een hatchback uit 1988, nog eentje met echte carburateurs, die de auto veel lekkerder en zuiniger laat rijden dan het ook beschikbare Bosch injectiesysteem. Het is een auto die, toen hij nog nieuw in de etalage stond, voor weinig opwinding zorgde. Japanse auto’s werden wat saai gevonden, lang niet zo enerverend als bijvoorbeeld hun Italiaanse evenknieën. Het waren gebruiksvoorwerpen die bereden werden tot reparatie niet langer economisch verantwoord was en ze in de recycling verdwenen. Slechts een enkele heeft het overleeft en is bij een liefhebber terecht gekomen.

Somewhere over the Rainbow

Somewhere over the RainbowDe oudere Japanse auto beleeft momenteel een enorme opwaardering. Vooral de jongere automobielliefhebber erkent deze overlevers als icoon. Weet de grijze massa uit het straatbeeld van weleer te waarderen. Rens Breedt Bruijn is zo’n liefhebber. Hij is iemand die Nissan ademt en droomt. Dat is begonnen toen zijn grootvader in de tachtiger jaren een eerste Datsun kocht. Een Cherry volgde en overleeft tot de dag van vandaag in de familie. Het is de eerste auto die Rens als 12 jarig ventje mag wassen. Vader Breedt Bruijn zelf rijdt Bluebird. Mede dankzij Rens. De liefde voor Nissan gaat bij Rens zo diep, dat hij zijn ouders zelfs kan overtuigen om toch bij het merk te blijven, wanneer vader met een schuin oog naar een Ford Mondeo kijkt omdat die zo lekker ruim is.

Somewhere over the Rainbow

Somewhere over the RainbowJaren later gaat Rens zelf op zoek naar precies zo’n Bluebird als zijn vader reed. Dat was immers een van de laatste Bluebirds die ouderwets gestyled was, met veel chroom en stoere spatbordranden. Het is vooral de stationwagon die in zijn belangstelling staat, maar die is lastig te vinden. Een van de dealers die op verzoek eens rond kijkt naar zo’n wagen tipt Rens dat hij ergens in een schuur nog een hatchback weet te staan. De hatchback staat daar dan al ruim tien jaar, dik onder het stof en niet meer in topconditie. Wel in originele staat en van de eerste eigenaar. Rens ziet de belofte in de auto en gaat tot aanschaf over. De hatchback wordt tot in de puntjes opgefrist en voorzien van vele originele opties. Vanaf dat moment is het Bluebird forever en wordt de auto vertroeteld en vooral gebruikt voor vakanties.

Somewhere over the Rainbow

Somewhere over the RainbowRens is één van die mannen die de Japanse middenklasser in ere houdt en zorgt voor het aandeel in het mobiele erfgoed dat deze auto’s vormen. Ooit een massa-artikel, jarenlang verguisd, maar nu weer in volle ere hersteld. Lang leve Rens en lang leve de Nissan Bluebird!
Martin Philippo