Meer dan negentig jaar geleden werd er al geracet op de kombaan van Linas-Montlhéry. Robbert Moree ging naar Frankrijk om te kijken hoe dat geweest moet zijn.

Een autodrôme lijkt met zijn kombanen een soort ommuurde vesting die zijn bezoekers beschermt. Zoals een kathedraal haar gelovigen bescherming biedt tegen het kwaad, biedt de intimiteit van het Autodrôme Linas-Montlhéry bescherming aan de beoefenaars van de edele auto- en motorsport. Kathedralen worden gekoesterd en waar nodig gerestaureerd, dit autodrôme uit 1924 verdient het ook gerestaureerd te worden.  Dat is nog maar ten dele gelukt, want slechts één van de kombanen is bruikbaar tijdens de Vintage Revival Monthlery.

Elk nadeel heeft zijn voordeel en dat betekent dat ik alle tijd heb om het door zovele voortsnellende smalle racebanden beroerde beton van de ongebruikte helft van dit beroemde autodrôme te fotograferen. Een collega fotograaf is iets bijzonders aan het doen daar, hij maakt foto’s van dit heilige beton uit 1924 met een camera uit dat zelfde jaar. Heilig beton, hoor ik u vragen? Wanneer je kijkt welke inmiddels haast vergeten grootheden van weleer er over hebben gereden, mag je dit best zo noemen. André Boillot in zijn Peugeot, Constantini in zijn Bugatti en Ascari in zijn Alfa Romeo, om er maar een paar te noemen. Toen er in 1925 de eerste Grand Prix werd verreden, telde de Autocar reporter rond het middaguur welgeteld 59 bezoekers. De racesport stond nog in de kinderschoenen, vroege bekeerlingen genoten van de stiekeme hagenpreek.

 

Terug naar het nu, de ‘kathedraal’ biedt ruimte voor veel kostgangers. Ik zie kinderen rondrennen tussen de oude bakken. Sommigen lopen er voorbij alsof het vergeten speelgoed is, anderen lijken oprecht geïnteresseerd. Daarnaast relatief veel vrouwen, ook achter het stuur? Anderen vergezellen hun man, waarbij ik een oudere dame ontmoet die uit liefde best wil meekomen naar het evenement, maar dan wel rustig in de auto blijft om een goed boek te lezen. Andere vrouwen neuzen rond tussen onderdelen of vormen een klassiek raceteam. Ik loop zelfs een clubje tienerdames tegen het lijf, die bezweren later ook met de auto’s te zullen gaan rijden die nu door hun vaders en moeders worden rond gereden op Montlhéry.

The Dutch Vintage Revival Club is er ook. Ab van Egmond bijvoorbeeld, met een mooie diepblauwe Lagonda Rapier uit 1937. In 1951 is er een compressor op gezet en, getuige de oranje stippen op de achterkant van zijn automobiele erfgoed, heeft de eigenaar hem nu op ethanol lopen. De motor levert ongeveer 150 paarden. Dat lijkt weinig in hedendaagse termen, maar met vochtig weer betekent het dat wielspin in z’n vierde versnelling geen uitzondering hoeft te zijn. Bij dezelfde club ook een Belgisch lid, die een Austin 7 met een bijzondere body rijdt. Hij heeft de body gekocht van een man die ruim 20 jaar had gespendeerd om alle onderdelen bij elkaar te krijgen en toen jammerlijk werd getroffen door een hersenbloeding. De huidige eigenaar heeft het project voortgezet en het eindresultaat goed laten keuren door de vorige eigenaar. Terwijl ik met hem praat borrelt er wel enige frustratie bij hem op, de Fransen vinden zijn auto niet origineel genoeg. ‘Ze willen zelfs de lucht in de carburator nog origineel hebben.’ Geef hem maar de Britten, daar mag een auto tenminste eigen kenmerken hebben.

Op Montlhéry betekent vintage ook cycle cars, oude motoren en fietsen, vaak met berijders in passende kleding. Ondanks de regen zijn de gezichten van de bestuurders stuk voor stuk voorzien van een brede glimlach. Soms een licht bezorgde trek, wanneer de techniek toch te broos blijkt voor de rit over het oude circuit, maar het lijkt de pret nooit echt te drukken. Hulde voor de organisatoren die de legende van Linas-Montlhéry in ere houden door ons een hoogmis voor benzinedampen en brandend rubber voor te schotelen.
Robbert Moree