19326806842_c6e96a169f_kBegin mei van dit jaar vingen drie gelijkgestemde geesten een epische road trip aan naar de roots van Bugatti, les pur sang d’automobiles (et du rail). Reisgenoten Marc Vorgers en Mattijs Diepraam hebben reeds lang hun sporen in de klassieke autowereld verdiend en beschikten sowieso over het juiste Octaangehalte in het bloed om er een gedenkwaardige reis van te maken. De trip met de klassieke Rover P6 van Marc voerde van Molsheim naar Mulhouse en tenslotte naar de tweejaarlijkse Revival op Montlhéry. Deze minibedevaart, al snel MMM gedoopt, bood een fantastische gelegenheid om een flink aantal lieux des mémoires van Bugatti aan te doen. In een aantal delen wil ik jullie graag deelgenoot maken van mijn fascinatie voor Bugatti en de ondernomen roadtrip. Aangezien er al hele volksstammen autojournalisten los zijn gegaan op het onderwerp en er gewoonweg zo veel te vertellen is, heb ik me beperkt tot de laatste jaren van het zelfstandige bestaan van het automerk Bugatti: oftewel De lange zwanenzang van Bugatti.

Deel II Type 101 revisited
19326952802_ad7085a8a2_k

In 1951 ondernemen Roland Bugatti en Pierre Marco (zie deel I ‘Het begin van het einde’ [doorlinken op website]) een dappere poging om het merk opnieuw te lanceren op de Autosalon van Parijs. Onder de noemer Type 101 werden twee exemplaren getoond, een coupé en een cabriolet. Beide carrosserievormen waren -free lance- door de bekende industrieel ontwerper Louis Lepoix voor Gangloff (de beroemde carrossier uit Colmar) ontworpen.

In wezen was het een stokoud en vooroorlogs Type 57 chassis met een enigszins aangepaste 3257cc achtcilinder lijnmotor. Deze motor vond zijn oorsprong op zijn beurt weer in het eenmalige prototype T64 van net voor de oorlog. Net als bij het Type 57, was er bij de Type 101 de keuze voor een supercharger -Type 101C- mogelijk en in die hoedanigheid goed voor zo’n 200 pk bij 5.200 toeren per minuut en een gewicht van zo’n 1600 kilo. Andere verbeteringen waren 17 inch in plaats van 18 inch wielen, ‘onvermoeibare’ hydraulische Lockheed remmen, het gebruik van dubbele Weber 36 DCL carburateurs in plaats van de antieke Strombergs en een elektrische, ‘slimme’ Cotal semi-automatische preselector 4-versnellingsbak. Bugatti bood ook een in-huis ontworpen,  handgeschakelde Bugatti ‘geluidloze’ 5-versnellingsbak, waarvan de ‘5’ een overdrive was.

19333014945_ef41b1a240_k

Alhoewel het chassis en aandrijflijn wat belegen waren, bewijst de carrosserie dat het in ieder geval een moedige poging was om een Bugatti voor de jaren ’50 te ontwerpen. Zelfs de zo typerende hoefijzer grille werd meer gestroomlijnd vorm gegeven en flink verkleint om beter in het totaalplaatje van het ‘moderne’ ontwerp met de grote spatborden te passen.

Wat in 1951 met name opviel, was echter niet het design, maar de exorbitante prijs van ‘ruim’ 3 miljoen francs. Deze was mede het gevolg van het door Bugatti aanhouden van de fiscale 17 CV classificatie (wat in Frankrijk nooit het echte motorvermogen weergeeft). Dit leidde er in het naoorlogse Frankrijk toe, dat er allerlei extra heffingen gedaan konden worden, wat de populariteit van het model op zijn zachtst gezegd niet ten goede kwam en er tussen 1951 en 1956 uiteindelijk maar zeven (plus een prototype) exemplaren gebouwd zijn.

18712412183_a02911c29b_k

Van de acht gebouwde exemplaren zijn er tegenwoordig maar liefst drie (waarvan de twee Parijse salonauto’s) in de Schlumpfcollectie in Mulhouse te vinden en ook deze zijn uitgevoerd met een Gangloff carrosserie. Schlumpf liet ze gek genoeg alle drie overschilderen. De fraaie blauwe Coupé in het museum was origineel rood van kleur. Dit exemplaar was zijn leven overigens begonnen als een Type 57G Tank. Precies hetzelfde type als waar Jean Bugatti het leven in had gelaten. Via een Type 64 carrosserie is er uiteindelijk een Type 101 van gemaakt (inclusief hergebruikt Type 57 chassisnummer 57454-3, waar de achterste ‘3’ voor het derde ‘leven’ staat). Deze 101 stond in 1951 op de Autosalon van Parijs, net als de rode cabriolet die er naast staat in Mulhouse. De originele kleur van deze rode cabriolet, met chassisnummer 101503, was wit en heeft een minder bewogen leven achter de rug met maar twee eigenaren en een origineel T101 chassis. De derde 101 van het museum is tevens het prototype (chassisnummer 101500) en is nu een statige witte sedan. De auto verliet de fabriek in 1951 echter met een donkerbruine/zwarte verflaag en is nog korte tijd in handen geweest van Jean de Dobbeleer, de bekende Brusselse autohandelaar. Het museum schijnt tenslotte ook nog een kaal chassis van dit type én een chassis tussen het Type 57 en Type 101 in te bezitten.

19326954002_4dd7018b97_k

Alle acht exemplaren bestaan opmerkelijk genoeg nog en één daarvan heeft een Nederlands tintje. Chassisnummer 101502 is namelijk van 1976 tot 2007 in handen van wijlen de heer Pim Hasher geweest (en heeft in de jaren ‘60 onder andere nog in de garage gestaan van, daar is ie weer, Jean De Dobbeleer). Deze 101 is de enige met een Guilloré koetswerk, dat wellicht oorspronkelijk voor een Delahaye bestemd was en is tegenwoordig weer te vinden op Frans grondgebied. De overige vier 101’s verblijven in België en de Verenigde Staten.

Een van deze exemplaren is een Type 101C coupé met chassisnummer 101-504 en heeft nog in de garage van de Gone in Sixty Seconds-acteur Nicolas Cage gestaan (en ook van De Dobbeleer overigens..). Deze heeft een bijzonder fraaie Parijse Antem carrosserie. Van origine was deze groen, maar is tegenwoordig in het rood-zwart uitgevoerd. Deze 101 zal ongetwijfeld een van de hoogtepunten worden van de aankomende Bonhams ‘Chantilly’ veiling van 5 september 2015.

DSC07652De allerlaatste Bugatti (alleen het chassis!) die gebouwd werd, was Type 101C met chassisnummer 101506 met daarachter het omineuze ‘Fini’ erachter in het chassis gestanst. Dit chassis werd pas in 1961 aan Virgil Exner Jr.-destijds in dienst van Ghia- voor de alleszins schappelijke som van $2500 verkocht en uiteindelijk pas in 1965 officieel getoond in Turijn. De gedachte erachter was om met het gewaagde design een echt moderne Bugatti voor de jaren ’60 te presenteren. Een bizar feit is trouwens dat de Exner 101 een van zeven ontwerpen was voor roemruchte merken die volgens hem om een wederopstanding vroegen. Ook voor Duesenberg, Stutz, Mercer, Packard, Pierce-Arrow en Jordan had Exner een ontwerp klaar liggen. Alleen Duesenberg, Mercer en Bugatti verlieten daadwerkelijk de tekentafel en schopten het tot ‘one-offs’.

Alle moeite bleek ook deze keer tevergeefs en bovendien mosterd na de maaltijd; Bugatti had in 1963 voorgoed de poorten gesloten en werd in zijn geheel overgenomen door Hispano-Suiza.

Vive la Marque en wordt vervolgd!

Bastiaan van den Berg