Natale

Grommend en grauwend baant de afgeladen Volvo zich een weg door het mulle zand van het bospad. Groot licht slaat dood in de onmetelijke bomenrij. Een groenig donker in het kwadraat. Jos tuurt onafgebroken door de miezerregen naar de toekomst voorbij de lichtbundel. Naast hem op de passagiersstoel de verbeten blik van zijn vriendin. De handen op haar buik. Beschermend. Troostend. Een diepe kuil. Nog een. De auto hotst en botst. Sputtert. Slaat af. Niet weer! Werktuiglijk grijpt Jos naar de contactsleutel. De verlichting dimt op het ritme van de startmotor. Hikkend komt de blauwe baksteen weer tot leven. Een harde plof, een stoot gas en de lastezel ploetert verder.

‘Nog een klein stukje. We zijn bijna op het asfalt.’
Hij klinkt minder zeker van zichzelf dan hij zou willen. Myrthe zwijgt. Ze kan zijn bloed wel drinken nu. Hij weet het. Dit zwijgen is geen goud. Het is koud, ijskoud. Ze verwijt hem zijn eigenwijsheid, zijn koppigheid. Dat persé nog ‘even’ een kerstboom zagen in het bos. Die ellendige zelfverzonnen traditie. Die armetierige scheefgegroeide boom op het dak van haar auto. Straks zal hij hem zo trots als een pauw bij zijn moeder naar binnen sleuren. Niemand die er op zit te wachten. Zeker zijn moeder niet. ‘Er gaat niets boven een versgezaagde boom’, zal hij net iets te jolig door de vestibule galmen. Op zoek naar een gelijkgestemde ziel. Hij zal alleen de traan in de ogen van zijn moeder vinden. De herinnering aan wijlen zijn vader. De passionele dromer. De romantische ziel aan wie hij zijn aanleg voor onmogelijke projecten, zijn ravenzwarte haar en zijn exotische achternaam te danken heeft.

De voorwielen van de afgeladen Volvo raken het asfalt. De achterzijde schudt even opzij als ook de achterbanden met net dat beetje extra gas grip krijgen op de rand van de bewoonde wereld. Een onhoorbare zucht van verlichting. Met de blik van een overwinnaar kijkt hij opzij naar de hoogzwangere Myrthe. Wijs genoeg om nog even zijn mond te houden. Rommelend met de navigatie die op het hobbelige bospad van het raam gesodemieterd is. Likkend aan de zuignap probeert hij antwoord te geven op haar ongestelde vraag.
‘Een uurtje. We zijn nog ruim op tijd voor het aperitief. We kunnen eerst de boom nog wel…’
Met een luide plof komt zijn spraakwaterval ten einde. Synchroon met de oude stationcar. Dit keer komt de motor niet per omgaande terug tot leven. Het amechtig geratel van de startmotor krijgt geen bijval. Binnensmonds vloekend kijkt Jos opnieuw opzij. De angst in de ogen van zijn geliefde is zelfs in deze duisternis niet te missen.
‘Het komt, Jos.’
Haar stem klinkt zacht.
‘Nu?’
Ze knikt.
‘Ik denk dat mijn vliezen gebroken zijn.’
‘Verdomme.’
Hardgrondig, gemeend, niet langer binnensmonds.

‘Shit, shit, shit.’
De startmotor geeft geen sjoege meer. Alleen nog een harde klik. Verder niets. Jos slaat op het stuur. De claxon klinkt schril in het ogenschijnlijk verlaten bos. Hij schrikt er zelf van.
‘Jos…’
Paniek klinkt in de stem van Myrthe.
‘Doe nou iets. Ik ga hier niet bevallen hoor. Niet hier in de auto. Niet hier.’
‘Dat stomme Zweedse hok. Met mijn auto…’
‘Jos!’
Het was toch waar. Hoe vaak was hij de afgelopen weken nu al met dit ding naar de garage geweest? Naar hoeveel garages? Geen tijd, geen zin, geen verstand van die ouwe dingen. Niemand had het probleem echt op kunnen of willen lossen. Zo vlak voor de kerst zat er niemand te wachten op nog een haastklusje. Op het overjaarse rijdende project van zijn aanstaande gezinnetje. Myrthe’s droomauto. Zijn eigen hoogblonde Hollandse ‘soccermum’.
‘Met jouw auto was het licht al op de A2 uitgegaan!’
Onhandig scrollt hij door het adresboek van zijn mobiele telefoon.
‘Bel nou gewoon 1-1-2!’
Geen bereik.

Zachtjes wordt er op de portierruit getikt. Twee harten slaan een slag over. Een gezicht buigt voorover naar het ruitje. Twee donkere ogen proberen naar binnen te kijken. Jos grijpt naar de raamslinger. Myrthe pakt zijn arm.
‘Niet opendoen.’
Hij negeert haar woorden en draait het raam twee slagen naar beneden.
‘I am Osman, problem?’
Het Engels van de man is helder. Het accent moeilijk thuis te brengen. In enkele woorden legt Jos de situatie uit.
‘Wait here, my friend is mechanic.’
Dan is hij weg. Jos stapt uit om te zien waar hij heen gaat. Tuurt in het duister. Ziet dan plots een zwak lichtschijnsel. De contouren van een raam. Een klein chalet wat verder tussen de bomen. Pas dan ziet hij de andere huisjes. Rijen vol gelijkaardige lichtblauwe huisjes.
‘Het is een fokking asielzoekerscentrum of zo.’
Hij laat zich half terug in de stoel zakken.
Myrthe zoekt naar zijn hand.
‘Jos, ik ga niet hier bevallen hoor. Niet terwijl er zo’n bende van die Mujahedin tussen mijn benen staan te gluren.’
Dikke tranen biggelen over haar wangen.
‘Die stomme boom.’

Ineens zijn ze daar. Geen idee met hoeveel. Er worden aanwijzingen geroepen. De auto wordt achter een van de huisjes gemanoeuvreerd, onder het schijnsel van een buitenlamp. De motorkap gaat open. Twee mannen buigen zich over de techniek. Een derde doet tekenen naar Myrthe, die bleek en verkrampt in haar auto blijft zitten.
‘Come. Come inside. It is warm. It is better.’
Ze schudt hardnekkig haar hoofd. Een jonge vrouw komt naar buiten, een meisje nog. Ze draagt een doekje om haar hoofd. Niet zo’n eng geval, gewoon een doekje. En een kind op haar arm. Ze wenkt. Een tweede, wat ouder, is doortastender. Ze opent het portier. Pakt Myrthe’s hand. Die biedt niet langer weerstand. Kan niet meer.

Met luid geraas komt de auto tot leven. Even. Nog eens. Nu blijft hij draaien.
‘Yes!’
Jos wil meteen verder.
‘Where is my girlfriend, my wife?’
Weet hij veel hoe die lui reageren als ze erachter komen dat zijn hoogzwangere vriendin niet met hem getrouwd is. Er wordt iets geroepen in de taal die hij nog steeds niet thuis kan brengen. De man naast hem pakt zijn arm. Het is dezelfde als net in het bos. Denkt hij.
‘Come.’
Het is warm in het huisje. Jos veegt zijn beslagen bril af aan zijn overhemd. In het woonkamertje zitten kinderen. Geen Myrthe. Uit een aangrenzend kamertje klinken vrouwenstemmen. De vrouw die de deur opent wenkt naar hem. In twee stappen is hij bij haar.
Daar zit Myrthe, ondersteund door een berg kussens. Uitgeput, bleek, wangen grauw van de uitgelopen mascara. Met de gelukzaligste glimlach die hij ooit heeft gezien.
‘Kom je even dag zeggen tegen je dochter, papa?’
‘Een dochter? Een meisje? Had de dokter niet gezegd…’
‘De dokter had het mis.’
‘Een meisje…’
‘Giulietta…’
Bijna gefluisterd. Zijn ogen vragend. Myrthe knikt.
‘Ja, Giulietta!’

Marc Zaan